Met het arrest van 27 januari 2026 (1) heeft het Gerechtshof Amsterdam belangrijke duidelijkheid verschaft over de kwalificatie van arbeidsrelaties. Waar de rechtbank in 2021 nog oordeelde dat alle Uber-chauffeurs werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst, concludeert het Hof nu dat een dergelijke collectieve kwalificatie als werknemer niet houdbaar is. De vorderingen van de FNV om de CAO Taxivervoer collectief op alle Uber-chauffeurs toe te passen, zijn hiermee afgewezen.
Hoe zat het ook alweer met de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst of schijnzelfstandigheid? (2)
Deliveroo – arrest (3)
Naast het wettelijke kader of sprake is van loon, persoonlijke arbeid en gezag, heeft de Hoge Raad op 24 maart 2023 in het Deliveroo arrest een kwalificatiekader neergelegd voor de vraag: is sprake van een arbeidsovereenkomst of niet? Uitgangspunt hierbij is dat niet de contractuele afspraken doorslaggevend zijn, maar hoe er feitelijk in de praktijk gewerkt wordt. Daarbij zijn volgens de Hoge Raad alle omstandigheden van het geval van belang en worden bovendien negen gezichtspunten gegeven welke van belang kunnen zijn. Deze gezichtspunten zijn:
1) De aard en de duur van de werkzaamheden,
2) De manier waarop werkzaamheden en werktijden zijn bepaald,
3) De mate waarin de werkzaamheden en de opdrachtnemer onderdeel zijn van de organisatie (‘inbedding’),
4) Verplichting het werk persoonlijk uit te voeren,
5) Manier waarop afspraken tot stand zijn gekomen,
6) Manier waarop beloning is bepaald en wordt betaald,
7) De hoogte van de beloning,
8) De mate waarin de zelfstandige een commercieel risico loopt, en
9) De mate waarin de zelfstandige zich als ondernemer gedraagt (‘ondernemerschap’).
Uber 1 (4)
In de Uber-zaak speelde de vraag of de taxi-cao van toepassing was op de Uber-chauffeurs en of je in een collectieve procedure algemeen kunt uitspreken dat een hele groep chauffeurs als ‘werknemer’ wordt gekwalificeerd. Na de uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt deze procedure voortgezet bij het gerechtshof Amsterdam en worden er prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Op 21 februari 2025 geeft de Hoge Raad een prejudiciële beslissing. Hierbij wordt door de Hoge Raad nogmaals bevestigd dat alle omstandigheden van het geval van het belang zijn bij de kwalificatievraag. Dat je niet zomaar de gezichtspunten uit de Deliveroo uitspraak kunt ‘afvinken’ maar dat het een holistische weging van alle omstandigheden moet zijn. Daarbij wordt bovendien benadrukt dat ondernemerschap (zowel binnen als buiten de relatie met opdrachtgever) een belangrijke omstandigheid kan zijn in die afweging. Ook wordt door de Hoge Raad te kennen gegeven dat een collectieve kwalificatie – alle Uber-chauffeurs zijn werknemer of alle Uber-chauffeurs zijn zelfstandige – slechts beperkt kan plaatsvinden. Als de omstandigheden van de werkende onderling te veel verschillen, kan geen oordeel worden gegeven voor het collectief.
Uber 2 (5)
Nadat zij de prejudiciële beslissing heeft verkregen, pakt het gerechtshof Amsterdam de Uber-zaak weer op en wijst op 27 januari 2026 een eindarrest. In dit arrest past het Gerechtshof het toetsingskader uit het Deliveroo arrest toe en verwijst tevens naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 21 februari 2025. Het hof oordeelt als volgt:
Voor zes chauffeurs die individueel in de procedure zijn betrokken, komt het Gerechtshof tot het oordeel dat hoewel er elementen zijn die wijzen op een arbeidsovereenkomst, de balans uitslaat naar ‘geen arbeidsovereenkomst’. Hierbij worden alle omstandigheden van het geval meegewogen maar blijkt de weging van het ondernemerschap cruciaal: chauffeurs die voor meerdere platforms rijden, hun eigen werktijden bepalen, hun eigen rittenstrategie hanteren, zelf de risico’s van aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid dragen, en zelf investeren in hun voertuig, vertonen kenmerken die onverenigbaar zijn met een klassieke gezagsverhouding. Oftewel deze zes chauffeurs zijn zelfstandig ondernemers en geen werknemer.
Voor alle andere chauffeurs, waarvoor de vakbond, de FNV, een collectieve uitspraak wenste, geeft het Gerechtshof aan geen collectief oordeel te kunnen geven. Het Gerechtshof acht denkbaar dat er Uber-chauffeurs zijn die als werknemer gekwalificeerd moeten worden maar beschikt over onvoldoende informatie over de individuen. De uitspraak bevestigt dat de arbeidsrelatie voor elke individuele situatie (dan wel voor groepen van min of meer gelijke situaties) moet worden gekwalificeerd. Een collectieve uitspraak over de kwalificatie van ‘alle’ Uber-chauffeurs blijft hiermede uit.
Conclusie
Waar eerder vaak werd aangenomen dat vooral de ‘organisatorische inbedding’ – het feit dat het werk bedrijfseigen is en essentieel voor de bedrijfsvoering – zwaar moest wegen, laat de tweede Uber‑uitspraak zien dat ondernemerschap minstens zo’n prominente rol kan spelen. Zowel de Hoge Raad als het Gerechtshof benadrukken daarbij dat de kwalificatievraag altijd neerkomt op een integrale belangenafweging van alle omstandigheden van het geval. Het gaat dus niet om het turven van vinkjes bij de Deliveroo‑gezichtspunten, maar om een samenhangende beoordeling van de feitelijke werkelijkheid. Daarnaast is duidelijk geworden dat de arbeidsrelatie voor elk individu op zichzelf dient te worden gekwalificeerd en dat en collectieve uitspraak hierin niet mogelijk is.
Afsluiting
Voor meer informatie en specifieke vragen neem contact op met Tamara via t.deleeuw@ebl-eindhoven.nl of 040-2445600. Wilt u op de hoogte blijven van de ontwikkelingen binnen onder meer het arbeidsrecht volg dan de Linkedin pagina en de website van ebl Eindhoven.
(1) ECLI:NL:GHAMS:2026:163
(2) Lees ook de eerder blog: ‘handhaving schijnzelfstandigheid’ op onze website
(3) Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443
(4) ECLI:NL:HR:2025:319
(5) ECLI:NL:GHAMS:2026:163